Voor meer info:
Opgetekend Verleden 1
Opgetekend Verleden 2
Opgetekend Verleden 3

 

Paardenstraatje 11-13 (2002)

Tussen juni en oktober 2002 voerde de MVSA een muuracheologisch onderzoek en een opgraving uit in het Paardenstraatje 11-13. De directe aanleiding hiervoor was de geplande renovatie van deze woningen door de familie De Coninck.

Bij dit onderzoek werd nog maar eens duidelijk hoe belangrijk interdisciplinariteit is. Zoals verder blijkt, kon archiefonderzoek meer exacte dateringen voor enkele bouwfasen geven. Meteen kon een beeld bekomen worden van zowel de status van de eigenaars als van de bewoners van beide panden.

Het (muur)archeologisch onderzoek:

De twee op het eerste zicht 19 de-eeuwse arbeiderswoningen bleken toch heel wat ouder te zijn. Uit het (muur)archeologisch onderzoek konden zes duidelijk verschillende bouwfasen onderscheiden worden, die hierna kort worden besproken.

Fase 0:

Op de plaats van het huidige nummer 13 was een rechthoekige bakstenen constructie opgetrokken. De functie is onbekend maar de aangetroffen bakstenen opbouw in de Brusselpoort verwijst naar een ambachtelijk gebruik uit de 16 de eeuw.

Fase 1:

Vermoedelijk op het einde van de 16 de of aan het begin van de 17 de eeuw werd het perceel bebouwd. De gedetailleerde studie van het aardewerk, gevonden onder de oudste vloer, moet hierover uitsluitsel brengen.

Het huis dat de breedte van de huidige huizen 11 en 13 had, bestond uit een gelijkvloers en een zolder. Het huis kon als volgt gereconstrueerd worden: de oorspronkelijke deur (nu van het huis nummer 11) was met zandstenen blokken omlijst. Ook kon één min of meer vierkantig venster met middenstijl worden herkend.

De muren stonden op een trapvormige fundering en droegen een asymmetrisch dak. In tegenstelling tot de latere fasen bevond de haard zich tegen de achtergevel in het huidige huis nummer 13. De vloer die bij deze fase behoort bestond uit vierkante zwarte en rode tegels, gelegd in een dambordpatroon.

Fase 2:

In de tweede fase, die circa 1700 aanvangt, werden de voor- en achtergevels, evenals de nok van het dak wat opgetrokken met een steiler symmetrisch dak als resultaat.

Bij deze fase behoren twee vloerniveau’s. Van het eerste niveau is de vloer zelf niet bewaard, maar wel de 2,20 m grote haard tegen de zijgevel met huis nummer 15. Later wordt, binnen deze relatief lange periode, het eerste vloerniveau vervangen door een vloer in rode tegels. De vele herstellingen laten zien dat ook deze vloer lang in gebruik is gebleven. De haard van 1,60 m die bij dit niveau hoort, heeft een gebogen achterwand.

Heel waarschijnlijk was het huis in deze fase in twee kamers opgedeeld. In de één-steens muur bevond zich een 86 cm brede deuropening.

Nog op het einde van het archeologisch onderzoek werd in het nummer 11 een keldertje (6 bewaarde treden) blootgelegd. Deze kelder, met keldergat aan de achterzijde, werd opgevuld in fase 3 toen men er een trap op bouwde.

Fase 3:

Op het einde van de 19 de eeuw bouwde men aan het gebouw een extra verdieping bij. Hierbij werden het dak en de achtergevel afgebroken en de voorgevel opgemetst met een uitgespaarde richel voor de draagbalken van de eerste verdieping.

De haard en de vloer in het nummer 13 bleven goed bewaard, ondanks de vele herstellingen.

Het huis was in twee kamers opgedeeld. De resten van de tussenmuur en de oorspronkelijke plaats van de deur werden in het nummer 11 aangetroffen. Bij de buitenafwerking aan de voorgevel valt op dat er een verscheidenheid aan materialen gebruikt is voor de vensterbanken: hout, baksteen en natuursteen. Naast de nieuwe raamopeningen en de deur, vallen ook twee blindvensters op.

Tegen de achtermuur was een pad in baksteen aangelegd en in de tuin van het nummer 13 werd een beerput aangetroffen.

Fase 4:

Slechts korte tijd na de verhoging van het huis, werd begonnen aan een nieuwe verbouwing: de uitbreiding naar achter, wat gepaard ging met de opsplitsing van het gebouw in twee woningen. Hiervoor werd één raam in het nummer 13 vervangen door een deur en werd een tussenmuur gemetst.

De achtergevel, evenals de haard en de schoorsteen, werden afgebroken en vervangen door een nieuwe muur twee meter naar achter. De plafonds van beide huizen werden met ongeveer 40 cm verhoogd.

Het huis nummer 11 bestond uit een voor- en een achterkamer. In de hoek van de achterkamer werd, net als in het nummer 13, een dieper liggend vlak aangetroffen, waar de kachel stond. Het nummer 13 had een kleinere voorkamer omdat hier ook nog een gang aanwezig was. In beide huizen werden de aanzetten van de trappen teruggevonden.

Het huidige uitzicht aan de buitenzijde en de buitenafwerking met een laag cement met insnijdingen gaan op deze fase terug.

Fase 5:

Eind jaren ’70, begin jaren ’80 van de 20 ste eeuw kocht de familie De Coninck beide panden aan en richtte ze in tot magazijn van hun zaak. Alle binnenmuren eveneens uitgebroken en de beide panden met openingen met elkaar verbonden.

F. DE BUYSER, P. RAFFO, Het archeologisch onderzoek in de Brusselpoort, in: Tijdschrift van de Mechelse Vereniging voor Archeologie, Mechelen, 1989/1, pp. 26-41.